Training hechtingsstoornis en -problematiek

De hechtingstheorie is ontwikkeld door de Engelse psychoanalyticus Bowlby en later door Ainsworth e.a. (1978) uitgewerkt. Bij het ontstaan van de psychopathologie zijn er tussen de genetische aanleg en allerlei omgevingsfactoren mediërende factoren die de kwetsbaarheid voor psychische stoornissen vergroten. Eén van die factoren is volgens hen de hechting.
Verstoring hiervan kan belangrijke gevolgen hebben: onbekwaamheid vertrouwensrelaties aan te gaan, nauwelijks in staat tot zelfs maar oppervlakkige bindingen, sterk uittestgedrag, andere mensen gebruiken, manipuleren en steeds de strijd aangaan. Dat is een soort overlevingsgedrag om een onderliggend gevoel van een totaal gebrek aan basisvertrouwen en basisveiligheid te maskeren.

Gehechtheid begint in het eerste levensjaar en beperkt zich niet alleen tot de kindertijd, maar bestrijkt de hele levensloop. Gehechtheid is de selectieve en duurzame affectieve band tussen het jonge kind en de primaire verzorger aan wie het kind troost ontleent in tijden van angst en spanning. Het kind zoekt dan nabijheid, contact en ondersteuning bij deze hechtingsfiguren. Kinderen raken veilig gehecht door een liefdevolle opvoeding met sensitieve, responsieve verzorgers. Het gaat bij hechting om de emotionele beschikbaarheid van een verzorger voor het kleine kind als er zich een probleem voordoet. Ongunstige omstandigheden (bijvoorbeeld verwaarlozing of mishandeling) kunnen een onveilige hechting of zelfs een reactieve hechtingsstoornis tot gevolg hebben.

Binnen de training hechtingsstoornissen en- problematiek wordt er uitgebreid ingegaan op de hechtingstheorie van Bowlby en de verschillende hechtingsvormen van Ainsworth. Je leert hechtingsstoornis en hechtingsproblematiek te herkennen en kan betekenis geven aan het gedrag van kinderen. Daarnaast leer je wat het effect is van hechtingservaringen op het denken en handelen.